Waarom de armen armer zijn in arme landen – Jeroen Smits

ceintuur

Waarom de armen armer zijn in arme landen

Door professor Jeroen Smits

Als student liftte ik van Nederland naar Mediterraanse landen zoals Griekenland en Turkije in de zomervakanties. Elke keer werd ik weer verrast door de snelwegen, overvol van auto’s, busjes en vrachtwagens gevuld met allerlei soorten huishoudelijke apparatuur, waaronder zelfs koelkasten en wasmachines.

Het was in de jaren 70’, het waren de gloriedagen van de zogenaamde ‘gastarbeiders’ die overkwamen vanuit de landelijke regio’s van landen zoals Turkije en Marokko om de verwerkingsindustrie in Noordwest Europa te ondersteunen. In de zomervakanties gingen vele van hen terug naar hun families met de auto volgepropt met de huishoudelijke artikelen.

In die periode dacht ik niet zo veel na over wat ik toen zag. Echter, kort geleden begon ik mezelf af te vragen waarom deze families niet gewoon hun geld meenamen naar Turkije of Marokko om daar deze goederen aan te kunnen schaffen. Ik realiseerde me dat er toentertijd geen tweedehands markt bestond voor dit soort goederen in deze landen. Of in elk geval, er was geen tweedehands markt die kon concurreren met die in de West-Europa.

Deze realisatie was verrassend, wat ik had geobserveerd was duidelijk een economisch fenomeen, mensen die goederen kopen en deze over grote afstand transporteren. Echter, dit fenomeen wordt nauwelijks genoemd in hedendaagse economische literatuur en wordt compleet weggelaten bij debatten over welvaart en het meten van armoede.

Dat is bedenkelijk, want de tweedehands markt is van groot belang voor de materialistische levensstandaard van de armen. Adam Smith merkte al op dat duurzame goederen die door de rijken worden gekocht, na verloop van tijd worden overgenomen door de armere segmenten van de samenleving, en op die manier bijdragen aan de welvaart van een natie1. Deze duurzame goederen genoemd door Smith waren huizen, meubels en kleding. Deze zijn momenteel nog steeds belangrijk, maar zijn aangevuld met veel andere items die het leven gemakkelijker of meer comfortabel maken zoals Tv’s, koelkasten, wasmachines, motoren, fietsen en auto’s.

Deze duurzame goederen behouden doorgaans hun gebruikswaarde (doen waarvoor ze gemaakt zijn) gedurende een langere periode. Hun waarde als statusgoed daalt echter snel, wat betekent dat in landen met volgroeide tweedehandsmarkten hun prijzen snel dalen. Na vijf jaar kosten ze minder dan de helft van de nieuwprijs en na tien jaar nauwelijks iets. Huishoudens die het geld niet hebben om deze goederen nieuw te kopen, hebben dus de mogelijkheid om ze tweedehands te kopen en tegen veel lagere kosten van hun diensten te genieten. Het feit dat in landen als de VS of Groot-Brittannië drie keer meer tweedehandsauto's worden verkocht dan nieuwe auto's, maakt duidelijk dat tweedehandsmarkten een niet te verwaarlozen economisch fenomeen zijn.

Om tweedehandsmarkten effectief te laten functioneren, moet er een regelmatig aanbod van ‘nieuwe’ tweedehands goederen zijn. Dat aanbod is in grote mate afhankelijk van de aankoop van nieuwe, duurzame goederen door huishoudens die dit kunnen betalen. In rijke landen zijn er genoeg welvarende huishoudens die nieuwe duurzame goederen kunnen en willen kopen om een regelmatige aanvoer op de tweedehandsmarkt te garanderen. In arme landen zijn er veel minder van dergelijke huishoudens.

In de armste landen van onze wereld, zoals Ethiopië, Tanzania of Nigeria, heeft minder dan 25 procent van de huishoudens een tv en nog veel minder een koelkast, wasmachine of auto. Met zo weinig huishoudens die deze artikelen bezitten, is er weinig aanbod op de tweedehandsmarkt. Dit betekent dat huishoudens die genoeg geld zouden hebben om een tweedehands tv of koelkast in een welvarend land te kopen, niet kunnen voldoen aan hun vraag naar deze goederen in hun lokale context. Deze huishoudens zijn dus achtergesteld in vergelijking met huishoudens met precies hetzelfde inkomen in een rijker land, omdat ze meer geld nodig hebben om in hun materiële behoeften te voorzien.

Dit economische probleem heeft gevolgen als we armoede over de hele wereld willen bestuderen. Om de rijkdom van mensen over de hele wereld te kunnen vergelijken, moeten we hun inkomen aanpassen aan de verschillen in kosten van levensonderhoud met behulp van ‘Purchasing Power Parities’ (PPP's). PPP's pakken het feit aan dat mensen in arme landen rijker zijn dan de wisselkoers van hun munt suggereert, omdat handarbeid in die landen goedkoper is.

PPP's gaan echter niet in op het feit dat die mensen ook armer zijn omdat ze meer moeten betalen voor duurzame goederen dan mensen in rijkere landen. Dit betekent dat de koopkracht van mensen in arme landen te hoog wordt ingeschat en dat de internationale armoedegrens voor deze landen op een te laag niveau wordt getrokken. Daarom zijn de armen in arme landen armer dan we denken.

 

Referenties

1 Adam Smith (1776). Wealth of Nations, II.iii.38-39.

 

Woord van dank

Eénmaal per maand wordt er een artikel gepubliceerd dat is geschreven door één van onze docenten economie van de Radboud Universiteit. We waarderen de bijdrage van de afdeling enorm. Deze maand danken we Jeroen Smits, professor Internationale Economie, voor zijn artikel over waarom de armen in arme landen armer zijn.